De Molens van Woudsend

Monument van de maand - Molens Woudsend
A. Bokma
jaargang 1, deel 2

Woudsend, een zeestad tussen twee meren

Woudsend heeft zich in het zuidelijke gedeelte van de gemeente – vroeger grietenij- Wymbritseradeel, in het gebied tussen het Heeger- en het Slotermeer, ontwikkeld tot dorp. In 1337 wordt Woudsend voor het eerst genoemd naar aanleiding van de stichting van een Carmelietenklooster bij deze nederzetting.
WoudsendDankzij de gunstige ligging aan de Ee, die voor IJlst, Sneek en zelfs Leeuwarden de waterverbinding vormde naar de Zuiderzee en daarmee naar Holland, kon het dorp zich ontwikkelen tot een belangrijke handels- en scheepvaartnederzetting. Daardoor heeft Woudsend een van de omliggende agrarische dorpen afwijkende kleinsteedse aanleg en bebouwing. Een andere factor die van invloed is geweest op de ontwikkeling van Woudsend is de concentratie op de minder arbeidsintensieve veeteelt alleen van de voorheen gemengde agrarische bedrijven in de greidhoek (weidehoek) van Friesland. Er kwam niet alleen een overschot aan arbeidskrachten, maar ook aan zuivelproducten. Het waren omstandigheden waardoor dorpen als Woudsend zich op handel en scheepvaart gingen richten.

De ‘Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van Fries land” (1788) meldt dat Woudsend wat de landerijen aangaat het kleinste dorp is,

“doch ten aanzien van volkrijkheid en ‘t vermogen der ingezetenen, verre het aanzienlijkste der geheele grietenij en het eenigste daar eene boterwaag gevonden wordt”.

Het dorp is tot ontwikkeling gekomen door turf- en houtschippers die op Holland voeren

“doch hier is in laater tijd bijgekomen eene aanzienlijke reederij in Friesche koopvaardijschepen, die hier worden gebouwd. …. Door deeze onderneeming heeft dit dorp grootelijks in vermogen toegenomen en wel voornaamelijk in den Franschen en Engelschen oorlog van 1756 tot 1764″.

SmakschipVanaf het begin van de 18e eeuw zijn er scheepvaartactiviteiten van Woudsenders te bespeuren. In de periode 1711-1720 voeren er per jaar gemiddeld drie Woudsender schippers door de Sont, het zeegat dat toegang verschafte tot de Oostzee. Er volgde een opmerkelijke groei en in het decennium 1751-1760 waren er jaarlijks gemiddeld 108 en dat betekende 10% van de Friese Sontvaart en 6% van alle Nederlandse schippers die daar passeerden. Alleen Hindeloopen had een nog groter aantal Friese schippers op deze route, maar steden als Workum, Harlingen en Dokkum werden door het dorp Woudsend voorbijgestreefd. Na 1760 nam de betrokkenheid van de Woudsender schippers bij de Oostzeevaart weer af; in de jaren na 1780 passeerden jaarlijks nog maar drie schepen uit Woudsend de Sont.

De schippers uit Woudsend reisden niet alleen naar de Oostzee, maar voeren ook op Enkhuizen en Pampus, op Zeeland, Dordrecht, Breda, Geertruidenberg, Oosterhout en andere Brabantse plaatsen, op Duinkerken en andere plaatsen in Frankrijk, op Londen en andere Engelse havens, op Emden, Hamburg, plaatsen in Sleeswijk-Holstein, Jutland en Noorwegen; heel noord-west Europa dus. Al die bestemmingen zijn bekend uit een contract van verzekering dat schippers uit Woudsend, Heeg en de Hommerts in 1705 op onderlinge basis sloten:

“Op huijden den 23 Febrius 1705 zijn vrijwillig bij malckanderen gecompareert de gesamentlijcke zeevaerende schippers en resp(ectieve) ingesetenen van de dorpen Woudsend, Heegh ende Hommerts omme in dese conjuncture tijden van oorlogh en veel vallende stormwinden te overwegen wat tot conservatie en standhoudinge van ons gewoone zeevaert en respective kostwinningen nodigh en dienstigh mochte zijn”.

37 schippers ondertekenden het “Compact” dat artikelsgewijs allerlei voorwaarden van de overeenkomst bevatte, o.a. de tarieven per reis. Het valt op dat de vaarten op Engeland, Londen, Franknjk en Duinkerken in een dure tariefgroep zaten: iedere reis kostte 10 stuivers.

De Spaanse Successieoorlog woedde en de Duinkerker kapers waren actief op zee. Het vierde artikel luidde:

“Dat so ijmant zijn schip door Godts weer en windt mochte komen te verliesen ofte door de vijandt gerooft ofte genomen werden (het gene Godt wil verhoeden) sal ugt dese Compacts revenuen en opkomsten genieten van ijder gulden ses strs:, en dat van de quantiteijt soo hoogh een ijder aangslaegen staat”.

SmakschipZij die hun schip verloren, konden rekenen op een uitkering van 30% van het verzekerde risico. Ook het leven van de schipper (en diens meereizende vrouw) was verzekerd onder dezelfde condities. De 37 inschrijvers, van wie de meeste uit Woudsend gekomen zullen zijn, want volgens de Sontdoorvaarten betekende de zeevaart van Heeg niet veel en die van de Hommerts zeer weinig namen deel voor bedragen tussen de 400 en 1000 caroli guldens. Aanvankelijk was het mogelijk alleen schip en leven van schipper te dekken, sinds 1721 ook de lading. Of het Compact ook nog na 1721 is blijven bestaan weten we niet, omdat veel van de administratie verloren is gegaan. Werd het Compact van verzekering in 1705 onder oorlogsdreiging “dese conjuncture tijden van oorlogh” gesloten, in 1783 werd op nieuw in dergelijke omstandigheden, de Vierde Engelse Oorlog een “Zee-Assurantie” te Woudsend gesticht. Hylke Ages Tromp, een lid van de zeer bedrijvige familie Tromp, die ook actief was bij de molens en scheepshellingen van Woudsend, was de eerste boekhouder. Dit tweede Compact werd gesloten aan het einde van de bloei van de Woudsender zeevaart, zoals het eerste compact het begin ervan had ingeluid. Toen de Woudsender assurantie-traditie voor de derde keer tot oprichting van een onderlinge kwam, was dat in 1816 een onderlinge brandwaarborg voor boerderijen en vee, aanvankelijk slechts voor boeren in Wymbritseradeel, vervolgens voor heel Friesland en Nederland, een maatschappij die in het midden van de 19e eeuw al tot een kapitaal van 30 tot 40 miljoen had verzekerd.
Dat het in 1783 bij het sluiten van het tweede Compact nog niet geheel gedaan was met de zeevaart, mag blijken uit de zoëven al geciteerde Tegenwoordige Staat uit 1788:

“Ook ontbreekt er niets van ‘t geene tot uitrusting der schepen noodig is: want behalven eenige Hellingen of Timmerwerven worden er ook den vereischten houtzaagmoolen, lijnbaan, blok- en zeilmaakerij, benevens meer dan een smederij gevonden. Voorts is dit dorp zeer vermaakelijk, weegens de groote doorvaart van allerleije schepen, die van Leeuwarden, Sneek en van elders naar de Lemmer vaaren”.

Beschilderd behangsel met voorstelling van een boerderij te YpecolsgaGedurende de bloeitijd van de Woudsender zeevaart waren de broers Pals en Michiel Hylkes Tromp grootschippers en scheepsbouwer. Nadat Pals de woelige baren vaarwel had gezegd, vestigde hij zich aanvankelijk als zeilmaker te Woudsend om vervolgens in het nabijgelegen Ypecolsga een ‘zathe’, een flinke boerderij, te kopen. In 1780 kon dochter Wytske van scheepsbouwer Michiel, die ook eigenaar van houtzaagmolen De Hoop was en gehuwd was met de dochter van de molenaar van Het Lam, deze boerderij van haar neef kopen. Met haar man, een zoon van een welgestelde palinghandelaar uit Heeg, liet ze de oude boerderij drie jaar later afbreken om er een nieuwe voor in de plaats te laten zetten. Ze noemden de boerderij Arbeid en Moeite, maar sinds de boerderij in 1816 de eerste was die onder de Woudsender brandwaarborg werd gebracht, wordt hij “De Eersteling” genoemd.

In de opkamer van de nieuwe boerderij liet het echtpaar door de verder onbekende schilder Aede Lutzens een aantal grote behangselschilderingen maken die de volle glorie van de bezittingen van de familie Tromp en de aangetrouwden vereeuwigden. De schilderingen die zich thans in het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek bevinden, bevatten o.a. afbeeldingen van de scheepswerf van Tromp, van de korenmolen Het Lam en de houtzaagmolen De Hoop. Het zijn monumentale illustraties bij een maritiem, ambachtelijk en agrarisch actieve familie.

Zelfs nadat het Franse protectionisme de zeevaart van Woudsend nagenoeg had weggevaagd, was het met de bedrijvigheid van toeleveraars nog niet afgelopen. In het midden van de 19e eeuw waren er nog twee scheepstimmerwerven, twee houtzaagmolens, een lijnbaan (waarop patenttouw geslagen werd door een machine, die met een paard gedreven werd), een zeilmakerij en taanderij, drie mast- en blokmakerijen en enkele smederijen te vinden. In 1840 werd in Woudsend opnieuw een rederij van kofschepen opgericht. Van het ruim verspreide aandelenpakket kocht koning Willem I er 16 van 500 gulden. De rederij is niet tot grote bloei gekomen, maar toen zij tien jaar later ontbonden werd, hadden toch nog 12 zeeschepen hun thuishaven te Woudsend. De zuivelhandel floreerde kennelijk evenmin: de waag was tot herenlogement ingericht.

Toch dutte het dorp Woudsend allerminst in. Een reiziger noteerde omstreeks de eeuwwisseling:

“Woudsend heeft nog een welvarend aanzien en ligt er rustig temidden der vaak woelige wateren. Men vindt er vele nette huizen en nog vrij wat bedrijvigheid. Houtzaagmolen, olieslagerij, zeepfabriek, korenmolen “Het Lam”, ’t gebouw der Assurantie en zoo meer.”

Merkwaardig is het dat de reiziger de twee houtzaagmolens De Hoop en De Jager niet heeft opgemerkt. De Hoop was toen wellicht net afgebroken, maar De Jager die nu nog steeds met Het Lam een paar apart vormt, kan hem niet zijn ontgaan.

De molens van Woudsend

Een paar apart
Wie over de weg of over het water Woudsend nadert, ziet een dorpsbeeld met twee molens: houtzaagmolen De Jager en korenmolen Het Lam. De aanwezigheid van twee nog werkende molens in de bebouwde kom is tegenwoordig een bijzonderheid. In Friesland kan alleen Dokkum zich beroemen op twee in bedrijf zijnde molens, in dit geval korenmolens, en wel op het stedelijk bolwerk. Andere plaatsen in de provincie, die nog een molen in hun centrum rijk zijn, moeten het met één doen.
Al met al nog maar een schamel bezit als we even denken aan de vele oude tekeningen en prenten van dorpen en steden in Friesland waarop het soms wemelt van de molens. Tot in het midden van de vonge eeuw, toen de stoommachine haar opmars begon, werden in deze provincie meer dan 2500 molens geteld. Nu zijn het er nog hooguit 130, waarvan een klein deel al niet meer compleet is. Wat Woudsend bijzonder maakt is dat hier twee soorten industriemolens aanwezig zijn: een houtzaagmolen en een korenmolen. In Friesland zijn er nog 22 korenmolens; behalve Woudsend bezit alleen IJlst nog een houtzaagmolen, de bekende molen De Rat.
Een derde Friese houtzaagmolen was vroeger in Birdaard te vinden, een balkenzager, die in Nederland zeer zeldzaam is. Verder is alleen in Leiden nog een exemplaar van dit type molen te vinden. Het gaat daar om een molen die gerestaureerd maar niet meer in bedrijf is.

De Hoop

Tresoar foto 32763 Houtzaagmolen de Hoop (1800-1913)Woudsend is een tweede houtzaagmolen rijk geweest, De Hoop. In de noord-oosthoek van het dorp, op de hoek van Welle en Ee, is er nog weinig dat aan zijn bestaan herinnert. De Hoop was eens de jongste van de drie Woudsender molens.

Aangenomen wordt dat De Hoop in 1763 is gebouwd. Er zijn aanwijzingen dat op dezelfde plaats al een zaagschuur stond; de grond was toen eigendom van Hylke Michiels Tromp, de vader van de eerste molenaar. Deze, Michiel Hylkes Tromp, was getrouwd met Beeuw Jelles Hollander, dochter van Jelle Cornelis, molenaar-eigenaar van de ‘rogmolen’ Het Lam en hij werd met zijn zwager eigenaar van De Hoop. Uit dit huwelijk werd in 1739 een dochter, Wytske Michiels Tromp, geboren. Zij trouwde met Wieger Annes Visser, zoon van een palinghandelaar te Heeg.

Deze bleef eigenaar van molen De Hoop tot ongeveer 1810, want toen werd zijn zoon Wieger Wiegers Visser als eigenaar genoemd. Blijkens een advertentie in de Leeuwarder Courant van 7 april 1857 werd een ‘ongehuwde middelknecht’ gevraagd op de houtzaagmolen van Visser. Er werden nog twee advertenties in dezelfde krant geplaatst voor een ‘middenknecht’ op De Hoop, in 1861 en 1869. De aanbiedingen moesten gedaan worden respectievelijk bij S. Oppedijk & zn te Woudsend en D.T. de Vries, houtzaagmolenaar te Heeg.

Wieger en Wytske hadden niet slecht ‘geboerd'; ze werden ook eigenaar van de boerderij De Eersteling onder Ypecolsga, waarin ze door Aede Lutzens behangschilderingen lieten aanbrengen met afbeeldingen van hun familiebezittingen, onder andere de roggemolen Het Lam en de houtzaagmolen De Hoop. Op het schildenj van De Hoop is in het tweede molenaarhuis vanaf de molen een gevelsteen te zien. Deze steen zal dezelfde zijn als die welke later is ontdekt in een riante woning in Aerdenhout en die te maken heeft met houtzaagmolen De Hoop. Op deze steen, van 80 bij 60 cm, is een houtzaagmolen afgebeeld. Daarboven staat te lezen: Anne W. Visser en Michiel W. Tromp. Er onder leest men een rijmpje over twee jonge mannen, dieAnne Visser & Michiel Tromp elk aan een kant van de molen op een voetstuk staan:

Dees twee jongelingen, te zaam gemeen,
Die laagen hier de eerste steen
Kinderen van den eigenaar,
Die van dit huis de stigter waar.

Daar weer onder staan de namen W.A. Visser en W.M. Tromp.
De achternamen van de ‘jongelingen’ kwamen respectievelijk van vaders-vader en moeders-moeder kant. Het vermoeden is dat deze gevelsteen bij de afbraak van het huis naar Amsterdam is verhuisd en eigendom is geworden van een Amsterdamse zakenman-moleneigenaar die een huis bezat in Aerdenhout. Bulthuis tekende De Hoop omstreeks 1790.
Over de houtzaagmolen De Hoop zijn verder weinig bijzonderheden bekend. Hij werd vermoedelijk rond de eeuwwisseling afgebroken.

De Jager

Geschiedenis
1719 huis Jelle Jurjens - 2 [foto Yfke en Uilke de Koe]In de fraaie gevel van een huis aan de “Steech fan Elske” te Woudsend zit een mooie gevelsteen in kleur, waarop een houtzaagmolen is uitgebeiteld, met daarvoor bomen in de kolk. Het opschrift luidt:
1719 Jelle Jurjens en Geertje Dirks.
Aangenomen mag worden dat 1719 het bouwjaar van de houtzaagmolen De Jager is en Jelle Jurjens de eerste molenaar. In 1717 kwam Jelle Jurjens in het reëelcohier van Woudsend voor als eigenaar van een aantal huizen; over een houtzaagmolen werd niet gerept. Van de tijd tussen 1717 en 1734 zijn de reëelcohieren van Woudsend niet bewaard gebleven.

In 1734 werd Jelle Jurjens genoemd als eigenaar van een houtzaagmolen en een (scheeps)timmerwerf en in 1737 werd hem oktrooi verleend voor een veer op Amsterdam. In de oude schrifturen vermeldde men de namen der molens niet altijd.
De gevelsteen wordt ook wel als een overblijfsel van De Hoop beschouwd, maar is daarbij niet thuis te brengen.

Jelle Jurjens, die onder andere in het oktrooiboek met de achternaam Nauta voorkomt, was belangrijk genoeg om een bijnaam te verwerven: een bijnaam die aan uitgewerkt “eerste klas” hout herinnert. Zijn dorpsgenoten kenden hem als Jelle Jurjens Zoethout.
(Opmerking: Hiervoor is echter geen echt bewijs in documenten terug te vinden. Zeker is dat Jelle Jurjens zijn zoon Reinder Jelles de achternaam Zoethout meegegeven heeft).

Tresoar foto 32773Eigenaars van molen De Jager van 1734 tot 1849

  • 1734 – Jelle Jurjens Nauta
  • 1738 – Jelle Jurjens Nauta en zijn zoon Jurjen Jelles Nauta
  • 1755 – Reinder Jelles Zoethout, ook zoon van Jelle Jurjens Nauta
  • tot 1791 – Jelle Reinders Zoethout, zoon van Reinder Jelles Zoethout
  • 1788,’89,’90 – wordt zijn zoon Reinder Jelles Ages Zoethout als gebruiker genoemd
  • eind 18de eeuw wordt De Jager eigendom van Geert Hylkes Tromp, meestertimmerman te IJlst
  • 1825 – 1830 – Age Michiels Tromp en zijn echtgenote
  • Jan Ages Tromp, zoon van de laatstgenoemden, houtzaagmolenaar te Woudsend
  • 1843 – Hans Age, koopman te Balk
  • 1849 – Age Michiels Tromp

Op 16 mei 1856 verklaarde notaris Gerryt Zaadstra te Balk dat voor hem waren verschenen, Age Michiels Tromp, wethouder van de gemeente Gaasterland en koopman te Balk, en zijn echtgenote Jeanette Willemina van Broekhuizen. Zij hadden verkocht en geleverd aan Joachim Ages Tromp, zonder bepaald de houtzaagmolen met de daarbij aanwezige kolk en grond, alles staande en gelegen te Woudsend bekend ter kadaster van de gemeente Woudsend sectie A no. 414 en sectie A no. 415. De koopsom was 8100 gulden.

Negen jaar later was Joachim Ages Tromp overleden en blijkens een advertentie in de Leeuwarder Courant werd op 16 maart 1865 de publieke verkoop ingezet, uit hoofde van een sterfgeval van de in volle werking zijnde, best onderhouden houtzaagmolen De Jager met houtkolk, ruime molenpolle en hechte droogschuur, in gebruik bij de mede-eigenaar de Weduwe en Erven J.A. Tromp; een herenhuis met erf, tuin en bleekgrond, bewoond door de Weduwe J.A. Tromp. Verder nog een houtkolk en weiland en nog een houtkolk met toebehoren, alles aan het vaarwater de Ee bij Woudsend. Na deze verkoop moet de molen De Jager nog vele malen verkocht zijn; ook ene Ypma is eigenaar geweest. In 1925 kwam de molen in het bezit van de firma Siebolt Nauta en Zonen. Deze firma raakte in 1934 in faillissement, Koopman J. Westerhof kreeg toen De Jager in zijn bezit van 1934 tot 1952. In dat jaar waren het de “Zonen” Nauta, Jacob en Otto, die de molen terug kochten en er mee werkten.

De Jager, WoudsendIn de jaren dertig had een zware storm een der wieken geveld; dat was het (voorlopige) einde van het windtijdperk. De zaagramen werden daarna door een electromotor aangedreven. Dat kwam toen nog weinig voor. Het zaaggedeelte bleef geheel intakt en in bedrijf. Het is daaraan te danken dat de oude, nu ook zeldzame, uitrusting van De Jager nog kompleet bewaard is gebleven.Het verhaal van de levensloop van De Jager is hiermee niet volledig. Er zitten hiaten in en er blijven vraagtekens. Eén ding is echter wel duidelijk, houtzaagmolen De Jager was een werktuig en een onderneming om de kost mee te verdienen en dat was niet altijd een florerende zaak. Een vijftiental eigenaren met hun personeelsleden en hun gezinnen moesten er van leven. Was er tussen de moleneigenaren van De Hoop en Het Lam een familierelatie en overdracht van bezit, de onderlinge relatie met die van De Jager lijkt minder intens te zijn geweest.

Een nieuw begin

Een dertigtaljaren stond De Jager er onttakeld bij, de wieken en de kap waren er af, alleen de romp met de zaagschuur bestaan nog. In 1965 kocht de Stichting voor Zon en Vrijheid, gevestigd te Amsterdam Slotermeer, het molencomplex, bestaande uit molenromp met zaag en droogschuren, molenaarshuis en zeven woningen voor de molenaarsknechten. Deze stichting was voortgekomen uit de vroegere A.J.C., Arbeiders-Jeugd-Centrale, en bezat in ons land een zevental kampeerterreinen en watersportcentra. Haar doel was vormings- en vakantieactiviteiten voor jongeren en kansarmen te realiseren op een niet-commerciële grondslag.
In 1968 werd daarnaast, met een ruimere doelstelling de Stichting Waterrecreatie opgericht. Eerst had de stichting, vanaf 1962, aan de noordkant van het dorp, in het Watersportcentrum ’t Hege Hus, haar onderkomen gehad. Het complex De Jager bood veel meer mogelijkheden. Alhoewel het niet direct het doel en belang van de stichting was, om de molen als maalwerktuig te gebruiken of te exploiteren, waren de besturen van mening dat de molen als monument, ook vanwege zijn landschappelijke ligging, niet mocht verdwijnen. Tresoar foto 32675De molenaarswoning werd ingericht tot watersportcentrum met behoud van “het oude” voor zover dat mogelijk was. Burgemeester Cazemier van Wymbritseradeel opende op 20 juni 1970 dit centrum, dat “Het Molenhuis” werd genoemd. Het directeur-echtpaar Ben en Truus Davenschot-Van der Heijden zette zich spoedig enthousiast in voor het restaureren en het bedrijfsvaardig maken van De Jager. Dat De Jager weer een functionerende molen werd, is vooral te danken aan hun initiatieven en doorzettingsvermogen. Het is echter een lange lijdensweg geweest met onverwachte tegenslagen. Eind 1971 moest een zware tegenslag worden geincassterd toen Staatssecretaris Vonhoff pertinent weigerde de rijkssubsidie beschikbaar te stellen. De subsidie zou niet eerder dan na een jaar of drie toegekend worden. Het Tweede Kamerlid Voogd stelde naar aanleiding van “Woudsend” vragen aan de bewindsman. De laatste antwoordde dat naar zijn mening uitstel van subsidieverlening voor de restauratie van de Woudsender houtzaagmolen niet tot verval van dit cultuurhistorisch monument hoefde te leiden en hij hield de beurs gesloten. Eindelijk, na veel besprekingen, brieven en formaliteiten, was het begin januari 1975 zover dat Rijk, Provincie en Gemeente subsidies toezegden. Voor de Stichting Zon en Vrijheid resteerde als eigen bijdrage 15 procent van het totaal. Op uitnodiging van Davenschot kwam op 18 januari 1975 in het Molenhuis een groepje belangstellenden bijeen en viel het besluit een financiële aktie te houden en daarvoor een werkgroep in het leven te roepen. De aktie werd “op niveau” gepresenteerd. De Jager, restauratieOp zaterdag 7 juni 1975 zou in Woudsend de nieuwe brug worden geopend door de toenmalige minister van Sociale Zaken, drs. J. Boersma. In het feestvierende Woudsend startte tegelijkertijd de actie De Jager. Dr. R. Kruisinga, fractievoorzitter in de Tweede Kamer en oud-staatssecretaris, gaf het startsein door het oplaten van ballonnen. Boersma en Kruisinga verkochten daarna in “diskes” ansichtkaarten, posters en handbeschilderde tegeltjes ten bate van de actie, samen met andere prominenten zoals minister van Financiën dr. W.F. Duisenberg, voorzitter van de Tweede Kamer prof. dr. ir. A. Vondeling en gedeputeerde mr. P.E. van Krevelen. “Toevallig” passeerde minister van CRM., H. van Doom, met zijn tweemaster en voegde zich bij zijn collega’s rond de molen. Kruisinga zei in zijn toespraak op bekend terrein te zijn: “myn pake wie in munder, twa oerpaken ek en myn frou har pake wie ek in munder’. Erfelijk zwaar belast dus! Bij stukjes en beetjes, stap voor stap, kwam de restauratie op gang. Gelukkig kon gebruik worden gemaakt van gelden die de jubilerende Rabobank de Vereniging De Hollandsche Molen had aangeboden, want de rijksmiddelen stagneerden nog steeds. Via het Fonds aankoop en onderhoud molens kon die vóórfinancienng worden geregeld. Het Prins Bemhardfonds en de ANWB schonken ieder een bijdrage, het Actiecomité bracht een fors bedrag bij elkaar, de Stichting Waterrecreatie kon dankzij een “goed jaar” een aanzienlijk bedrag bijdragen. De restauratie werd uitgevoerd door molenmaker Roemeling te Scheemda; de kosten hiervoor bedroegen f 369.641,72. J.A. Heijdra, Rijksdienst voor Monumentenzorg te Zeist, zorgde voor de begeleiding en het toezicht. Zaterdag 4 september was de grote dag. Een keurig verzorgde tweetalige uitnodigingskaart, Fries en Nederlands, had velen naar de molen gelokt. CRM-minister Van Doorn zou als openingsceremonie de vang lichten. Er was echter te weinig wind om de molen te doen draaien. De minister hees daarom de Friese vlag en onthulde het naambord van de molen. Er was koffie met suikerbrood. Kinderen holden Woudsend door met molentjes. Uit toespraken kwam veel waardering naar voren voor de positieve opstelling van de Stichting Waterrecreatie en voor de grote inzet van de heer en mevrouw Davenschot voor de restauratie van de molen.
Medio september 1982 stond De Jager evenwel in de rouwstand met iets doorgedraaide wieken. De molenaar en de molen rouwden om het overlijden van Ben Davenschot.

 Molen de Jager 2006

Een Friese Houtzaagmolen

Tresoar foto 32774De Jager is een typische Friese molen, mooi van lijn en verhoudingen. Het is een achtkante houten bovenkruier op vierkante onderbouw. De molen heeft drie zolders en een Friese korbeelconstructie. Het geheel, ook de aangebouwde zaagschuren, staat op gemetselde klippen. De kap en de romp zijn gedekt met riet. De molen heeft gelaste stalen roeden, oudhollands opgehekt waarvan de lengte 18.60 m is. Een roede is gemoderniseerd met het aanbrengen van de fokwiek: daarmee wordt de wind beter benut en treedt een remmend effekt op als de molen te hard gaat. Voor de andere roede hebben de vrijwillige molenaars de door hun gemaakte fokwiekborden klaar liggen.
De as is van gietijzer. Het draaien wordt tot stilstand gebracht door de vlaamse vang met vangstok en duimophanging. De zaagschuur is 25 meter lang. De molen telt drie zaagramen; de maximale zaaghoogten zijn resp. 85 (verstelbaar tot 100), 70 en 60 cm, de breedten resp. 100, 80 en 70 cm. Het door het zaagraam voeren van de sleden geschiedt met het zgn krabbelwerk waarvan de aandrijving wordt afgeleid van die van het zaagraam. De uit één stuk gesmede krukas heeft een diameter van 14 cm; de slag is 50 cm.
Het asrad heeft 54 kammen, de bovenbonkelaar 27, de onderbonkelaar 40 en het krukwiel 41.
De overbrengingsverhouding is 1 : 2. Het opspannen van de zagen geschiedt met wiggen, aanwezig zijn ongeveer 100 zagen met beslag.
De noordelijke molenkolk doet dienst als jachthaven, de zuidelijke kolk is weer in gebruik voor het bewaren van de te zagen bomen.
In De Jager bevindt zicb nog veel ongineel gesmeed gereedschap.

Werking van “De Jager”

Een houtzaagmolen werd bijna altijd aan het water gebouwd. Dit kwam niet alleen omdat de aanvoer van de boomstammen en de afvoer van het hout over het water ging, maar ook omdat de meeste houtsoorten beter onder water bewaard kunnen worden.

Het fabricageproces verloopt in drie fasen: wateren, zagen en drogen.

Wateren
Het aangevoerde hout wordt één jaar of langer in houtkolken opgeslagen, met het worteleind in de stroomrichting. De boomstam wordt opgehaald met een molenbak, een vierkante drIjvende bak met, dwars er op, een handspaakrol. Een lange paal met een soort beitel aan het eind wordt onder water in de stam geslagen; aan die beitel zit een draad vast De boom wordt langszij getakeld en omhoog gebracht.
In De Jager bevindt zich nog steeds een dergelijke waterbak met originele winderij.

Zagen
Het hele proces bestaat uit de volgende verrichtingen: opslepen, schillen, opspannen van de boom en tenslotte het zagen.

  • Opslepen
    De door en door natte stammen van 1000 tot 5000 kilo en soms nog meer, worden met windkracht uit het water getrokken, met het boveneind van de boom naar voren. Er wordt een ketting vastgemaakt, hetgeen met pikhaken, kettingen en hamers gebeurt, ’s Winters draagt men hierbij pinnen onder de klompen.
    Als dat gebeurd is, kan “het halen” beginnen, hetgeen mogelijk is door de winderij, een constructie die in de molen is gebouwd. Boven elk zaagraam zit een dikke houten rol waarop de trekkabel wordt gewonden. Dit gebeurt in een heel langzame draaibeweging door middel van een haalijzer, een pal en een palstok. Het zaagraam gaat op en neer. Een grote stok ligt erop en gaat mee. Daaraan hangt een haak, die pakt iedere keer een tand, haakt daarachter met een typische klik en neemt de tand mee naar boven. Het tandwiel draait Iedere keer als het zaagraam omhoog gaat, drukt de rol de stam een klein stukje naar boven. Het terugrollen wordt door een pal en een haak voorkomen.
  • Schillen
    De stam wordt eerst met een emmer aan een stok schoongespoeld. Het verwijderen van de bast gebeurt met een schilijzer, dit is een stuk IJzer met een handvat en een platte kant aan de voorkant. Het schillen is van belang om de zagen scherp te houden; vaak zit er zand in de schors, soms worden er spijkers en krammen gevonden. Na het schillen kan men zien hoe de stam gezaagd moet worden: de stam moet stil liggen en daarvoor wordt aan de voet een vlak stuk gehakt. Dit gebeurt met een dissel, een bijl met een dwarsblad. Daarna kan de stam naar binnen gesleept worden tot vlakbij het zaagraam. De slede waar hij op moet, wordt onder de halfhangende boom getrokken.
  • Tresoar foto 32775Opspannen
    Het te zagen hout wordt onwrikbaar op de slede vastgebonden. Slede en stam glijden heel precies over houten rails door het zaagraam; iedere keer als de zagen omhoog gaan glijdt de slee naar voren, enkele millimeters maar, en neemt de stam mee. Het te zagen hout wordt op dwarshouten gelegd, met speciale ijzers en touw vastgekneveld. De slede heeft aan één kant opstaand hout met gaten erin, de pollen. Daarin wordt een ijzeren staaf gestoken, een spanijzer of balkijzer, waaronder de boom geklemd wordt. Een touw op de andere kant levert de spankracht voor het knellen.
  • Zagen
    Het hout heeft een nerf, dat wil zeggen vezels die in één richting lopen. Zagen dwars op de richting van de nerfheet “afkorten”; wat de zaagmolen doet is “schulpen”, zagen in de richting van de nerf zelf. De zaag beitelt zich een weg in de lengte van de stam en er wordt met de punt van de zaagtanden een groef ingegraven. Bij het omhoog gaan glijdt de slee, met boom, een stukje naar voren en daarna zagen de tanden de groef, de zaagsnede. Hoe verder de zagen uit elkaar staan hoe dikker de plank. Blokjes tussen de zagen houden de goede plankafstand. De zaag staat strak gespannen als een pianosnaar. Op de zeer oude molen De Jager gebeurt dit nog op een ouderwetse manier, met wiggen. Een paar honderd kilo per zaag: het is opmerkelijk dat een zaagraam zo zwaar is gemaakt. Onder de slee is een lange tandheugel te zien, een ijzeren staaf met tanden. Iedere keer dat het zaagraam omhoog gaat verdraait een tandwiel en met een schokje komen slee en boom een tandje verder. Als de tanden van de zagen goed scherp zijn, als de tanden precies even ver zijn uitgebogen naar links en naar rechts, als de zagen loodrecht hangen, als ze evenwijdig staan, als ze gespannen zijn, als ze recht naar voren wijzen, als de boom niet wiebelt, als er genoeg wind is,…. dan kan er worden gezaagd. In het geval aan een van de voorwaarden niet voldaan wordt, kan de molenaar te maken krijgen met bijvoorbeeld warm lopende zagen, golvende planken en zelfs klemmende zagen met op en neer slaande sleeën. Zaagsnedes 2Het is dus strijk en zet dat op de molen de zagen gestreken, gezet en scherp gevijld worden. Het om en om zetten van de zagen is er voor om ruimte te maken voor de zaag zelf. De tanden snijden om en om, links en rechts; dit gaat zeer precies, tot op de tiende millimeter nauwkeurig. Zetting en tandvorm zijn voor iedere houtsoort verschillend.
    Een werk dat steeds terugkeert, is het smeren van de houten tandraderen met bijenwas, de grote lagers met reuzel, de kapneuten met zeep en graniet, de slede met grafiet en de grote houten neuten met zeepvet. Vooral die grote gedraaide krukas, waar de zaagramen aan hangen, verdient aandacht. Regelmatig voelen op warmlopen is voor dit kostbare onderdeel een vereiste. De uitvinding van de zaagmolen in 1598 is eigenlijk pas mogelijk geworden toen men een uit één stuk ijzer gesmede krukas in deze vorm kon maken. In De Jager zit nog steeds de onginele krukas. .

Drogen
Als de planken gereed zijn, worden ze naar de droogschuur gebracht, rollen en niet tillen is het devies, waar zij gestapeld worden.
“In tomme jiers” is het friese gezegde, dat wil zeggen een duim (24 mm) per jaar. Dit is de droogtijd tot winddrooghout; afhankelijk van de dikte moeten planken een, twee, tot vier jaar drogen. Dit gebeurt in het houtstek, een schuur waar de wind doorheen kan en de zon niet in schijnt. Het hout wordt gestapeld op latjes om de lucht er vrij door te laten. Ieperen hout moet, zeker in het begin, regelmatig gekeerd worden! Men moet het zware, natte hout iedere week opnieuw stapelen. Als beloning voor al dat werk kregen de knechten het hout van de afgezaagde kronen of worteleinden. Het werk om dat klein te krijgen, in hun schaarse vrije tijd, was een klus waarvan men zei: “Van dat hout krijgje het twee keer warm!”

Het Lam

Geschiedenis
De geschiedenis van deze rogmolen is niet volledig bekend.

Eigenaars van Het Lam van 1698 tot 1810:

  • Molens aquarellen - Korenmolen 't Lam - Woudsend1698 – Dirck Tjebbes is in 1698 “coper van seker houten huis en gortmeulen tot Woudsend”. En in 1699 is sprake van een “geconsigneerde koopschat van de gortmolen”
  • 1717 – Hette Taekens en daama Taeke Taekens
  • 1734 – 1738 – Jelle Cornelis Hollander 1727 en zijn weduwe
  • 1748 – Huiskens (Hylke?) Michiels (geboortelepel?)
  • 1755 – 1767 – Michiel Hylkes (gehuwd met Beeuw Jelles Hollander) samen met Lieuw (Lieuen) Jelles (broer van Beeuw Jelles?)
  • 1773 – Aanbesteding onderhoud Het Lam, een advertentie in Leeuwarder Courant
  • 1787 – 1791 – Wieger Annes Visser (schoonzoon van Michiel Hylkes)
  • 1810 – Beeuw Wiegers Visser (patent register)

Een advertentie in de Leeuwarder Courant liet weten dat op 10 juni 1840 te Woudsend

“… een wel beklanten en aanmerkelijk vertimmerden en veel verbeterden rogge-, tarwe-, pel- en mosterdmolen met 4 paar stenen, zijnde hoog op de stelling 6 el en 2 palm en hebbende eene vlugt van 23 el en 5 palm met molenhiem en jachthuis”

verkocht zal worden. De verkoop was op verzoek van notaris J.S. Bokma te Akkrum, maar verdere bijzonderheden ontbreken. In een brief van 15 juni 1843 meldden de Grietman en Assessoren van Wymbritseradeel aan de Staatsraad Gouverneur van Friesland, die een advies vroeg inzake een verzoek van P.J. Mulder, korenmolenaar te Woudsend

“om met zijne te Woudsend gevestigde Pel- en Rogmolen ook het Pellen en Mouten te mogen uitoefenen en de daar toe vereischte Graansoorten in zijne Molenhokken te mogen zolderen.”

En verder nog:

“. .. dat naar ons inzien er geene bedenkingen bestaan om dit verzoek te wijzen van de hand, maar dat hetzelve even als aan den vorigen Molenaar kan worden toegestaan, terwijl ook daarinboven het geryf der Ingezetenen de hier verlangde vergunning tot uitoefening van het bedrijf van Pel en Moutmolen wenschelijk maakt.”

Het Lam te WoudsendIn een advertentie in de Leeuwarder Courant van 26 januari 1849 maakte molenaar W. Hettema bekend dat hij eigenaar was geworden van de koren-, pel- en mosterdmolen te Woudsend en die affaires zal voortzetten. In het jaar daarvoor, september 1848, was de molenaar P.J. Mulder failliet verklaard. Vanaf het midden der vorige eeuw is het verleden van Het Lam goed bekend. In hetzelfde jaar, 1849, ging de molen alweer in andere handen over. Hij werd voor f 4500 gekocht van Wytse Hettema door Carl Johan Siegert, die als politieke vluchteling uit Berlijn naar Friesland was gekomen. Het Lam bleef eigendom van de familie Siegert, via Carl Ernst Hugo, Foeke en later Karl tot 1959. In dat jaar verkocht Karl E.H. Siegert de molen aan Bauke Lyklema. Op de dag af 110 jaar nadat Het Lam door de eerste Siegert was aangekocht. Deze mededelingen zijn afkomstig van Carl Ernst Hugo Siegert te Drachten, die nog in het molenhuis van Het Lam is geboren. In 1925 was al gekozen voor electrische aandrijving. Gedurende de oorlogsjaren 1940-’45 deed Het Lam nog volop dienst. Het besluit om de molen, waarvan het bestaansrecht als maalwerktuig al onzeker was, van de hand te doen is verhaast door het verkeersongeval dat Karl Siegert in november 1958 overkwam. De nieuwe eigenaar, fouragehandelaar Lyklema, gebruikte de molen alleen als opslagplaats en voor het onderhoud van de molen had hij geen interesse. De gemeente Wymbritseradeel trok zich het lot van Het Lam aan en kocht in 1960 de molen voor hetzelfde bedrag van f 4500, als waarvoor Het Lam in 1849 in het bezit van de familie Siegert was gekomen. Dat de strijd voor het bestaan van de molen moeilijk was, wordt wel aangetoond door een renteloos voorschot van f 598,- dat Siegert in 1949 aan De Hollandsche Molen vroeg en dat afgelost moest worden in tien jaar. Siegert zorgde ervoor dat de buitenkant van de molen niet aftakelde. Wymbritseradeel spande zich al sinds 1947 in om Het Lam te doen restaureren; het ging eerst maar om betrekkelijk kleine bedragen. In 1962 bedroeg het totaie bedrag dat aan de restauratie was besteed f 17.413,95 waarvan het ministerie van OKW en de provincie een deel voor hun rekening hadden genomen; de gemeente had het eigenaarsaandeel voor haar rekening genomen.

In 1963 schreef De Hollandsche Molen een brief aan B en W van Wymbritseradeel inzake het gebruik van Het Lam door de huurder. Geconstateerd werd dat in de molen oude autobanden lagen opgeslagen en dat er sterke benzinedampen waren, vermoedelijk afkomstig uit een aangrenzende ruimte. Begin januari 1966 meldde het Sneker Nieuwsblad dat de molen door de gemeente helemaal leeggehaald was en de muren van binnen wit gekalkt waren. Eindelijk konden er eens mensen komen kijken, aldus de krant. De vraag werd gesteld of in de molen niet een VVV-kantoor kon worden gevestigd. Geconstateerd werd dat er van het laten draaien van de molen nog niets was gekomen.
In 1971 werden een nieuwe stelling en een nieuw gevlucht gemaakt. Een gedeelte van de kosten werd door gemeente en particulieren opgebracht.

Een Korenmolen

Het Lam is een achtkante houten bovenkruier, een monnikkorenmolen met stelling. Het bouwjaar ligt vermoedelijk aan het eind van de 17de eeuw. De onderbouw is gemetseld. Kap en romp zijn met riet gedekt. Het staartwerk is van hout, met kruihaspel. De stalen roeden zijn 20 meter lang en oudhollands opgehekt. De vlaamse vang is voorzien van een stut. Er zijn twee koppels maalstenen; één koppel 16-enders natuurstenen en een koppel 16-enders kunststenen.
Het sleepluiwerk is gemaakt van het vroegere kammenluiwerk. Het asrad heeft 53 kammen en de bovenbonkelaar 26. Het spoorwiel telt 91 kammen, het rondsel natuurstenen 28 staven en het rondsel kunststenen 30 staven. De verhoudingen wieken-kruis-natuursteen en wieken-kunststeen zijn respectievelijk 1:6,6 en 1:6,2.
Van de pelsteen rest alleen nog de kuip en de schootemeer. De balkconstructie rond de pelsteen is gelijk aan die welke in de Zaanstreek gebruikelijk was. De lange spruit zit onder de voeghouten in plaats van er boven. Boven in de kap van Het Lam hangen nog drie oorspronkelijke zinken brandemmers gevuld met zand.

Werking van Het Lam

De wiekenas drijft de koningsspil aan. De koningsspil is een verticale as in het midden van de molen, die op zijn beurt de steenspillen aandrijft. De steenspil is een verticale as, die met de maalsteen verbonden is. Deze maalsteen wordt loper genoemd en draait over de stilliggende maalsteen, de legger. De koningsspil zorgt ook voor de aandrijving van het luiwerk; een takel om de zakken graan op te hijsen. Het graan, meestal tarwe, komt geschoond in zakken van 50 kg op de molen. Wanneer er gemalen wordt, wordt een zak graan met het luiwerk omhoog gehaald, dit gebeurt op windkracht. Is de zak op de steenzolder aangekomen, dit is de zolder waar de maalstenen liggen, dan komt hij op de “zakkebok” te staan, een platformpje van waaraf de zak, zonder hem op te hoeven tillen, in een houten bak, de kaar, leeggestort kan worden. Onderin de kaar, die in een punt uitloopt, zit een schuifje, waardoor het graan een houten gootje instroomt. Dit houten gootje, de schoe genoemd, brengt het graan naar de stenen. De schoe komt aan een kant tegen de steenspil, die ter plaatse van vier houten ribbetjes is voorzien.
Doordat de steenspil draait, gaat de schoe schudden en hierdoor gaat het graan in de schoe stromen; hoe sneller de molen draait, hoe meer graan er door de schoe stroomt. Van de schoe loopt het graan door een gat in het midden van de loper en komt tussen de beide stenen. Beide stenen zijn voorzien van enigszins gebogen kerven, die van binnen naar buiten lopen. Deze kerven worden er met een hamer ingehakt. Dit hakken noemt men billen, de hamer heet dan ook bilhamer. Deze kerven zorgen ervoor dat het graan gemalen wordt en dat het naar buiten gedreven wordt.
Het meel valt door een koker naar beneden en wordt op de zogenaamde meelzolder opgevangen in een zak. Bij deze zak staat de molenaar voortdurend de fijnheid van het meel in de gaten te houden.
Wanneer de molen sneller gaat draaien – de wind heeft nooit een constante snelheid – valt er meer graan tussen de stenen. Om de fijnheid van het meel dan gelijk te houden, moeten de loper en de ligger iets dichter bij ellraar draaien; ze mogen elkaar nooit raken. Dit kan de molenaar regelen bij de maalbak, waar het meel de zak instroomt, De meelzakken worden gewogen op 50 kg.

Vrijwillige molenaars

Voor het voortbestaan van de molen als monument is het belangrijk dat het eigendom in goede handen is en dat het onderhoud alle aandacht krijgt. Het is ook van grote betekenis en belang dat molens op gezette tijden draaien en nog liever, volop werken. Dat is met de twee Woudsender molens het geval.
Het zijn de leden van de vereniging Gild Fryske Mounders die daarvoor zorgen.

De “Vrijwillige Molenaars” hebben zeker één ding gemeen: hun grote hobby om met molens om te gaan en daarmee te werken.
In de jaren zestig kwamen in toenemende mate overal in het land vrije-tijdsmolenaars op de molens. Een molen is geen speelgoed, wie ermee omgaat draagt een grote verantwoordelijkheid voor het kostbare werktuig en monumentale bezit. Gespecialiseerde kennis van de molen, van weer en wind is noodzakelijk.
De Hollandsche Molen bevorderde de instelling, in 1968, van het Gilde van Vrijwillige Molenaars.
De door het Gilde in het leven geroepen examens werden onder auspiciën van De Hollandsche Molen afgenomen. In 1973 slaagden de eerste twee Friezen voor het molenaarsexamen. Een jaar later werd voor het eerst in Friesland geexamineerd. Rond verschillende Friese molens vormden zich al spoedig werkgroepjes. Een aantal hiervan kwam in 1975 tot de oprichting van de vereniging Gild Fryske Mounders. Dit gebeurde op initiatief van en in nauw overleg met de stichting De Fryske Molen; deze is door de Provinciale overheid in het leven geroepen voor het molenbehoud. Op 18 december 1976 werd onder haar auspiciën het eerste Friese molenaarsexamen afgenomen.
Voor het examen van het landelijke gilde slaagde in 1975 onder meer Jan M. Coppens, werktuigbouwkundige D.E., uit Broek bij Joure en voor het Friese examen slaagde in 1978 onder meer Jaap van Driel, natuurkundige, uit Groningen. Dit zijn de twee molenaars die nu met houtzaagmolen De Jager geregeld werken.

Op verzoek van Davenschot begon men op De Jager les te geven aan kandidaat-molenaars. Een twaalftal is al geslaagd. Er zijn nu vier leerlingen. In het kader van de zomervakantie is een cursus monelogie begonnen, een kennismakingsprogramma over “het molenaar zijn”. Beide molenaars maken deel uit van de beheerscommissie die voor De Jager orde op zaken stelt.

Korenmolen Het Lam is sinds 1981 ook bemand met twee vrijwillige molenaars: Cees Notenboom, een boerenzoon uit Kubaard en Siemen Jager, uit Leeuwarden, die op een verzekeringskantoor werkt. Er moest op de molen heel wat voorbereidend werk worden gedaan voor het maalproces goed verliep.
Men hoopt dat Het Lam binnen afzienbare tijd niet alleen als tarwe-, maar ook weer als rogge-, pel- en mosterdmolen zal kunnen functioneren.

Het molengebeuren van Woudsend is fascinerend. Enthousiasme en vrijwilligheid, gekoppeld aan werklust en verantwoordelijkheid zijn de basis voor het zo fleurig draaien van De Jager en Het Lam.

Het is een paar apart.

Belangrijkste literatuur en bronnen:

  • G. Bakker. Scheepsverzekering te Woudsend Anno 1705. Jaarboek Fries Scheepvaart Museum. Sneek 1967/’68
  • G. Bakker. Wymbritseradiel. Documentatie Scheepvaart Museum. Sneek 1974
  • C. Geertman. Studie Molens Woudsend, 1986
  • Fries Molenboek 2de druk Fryske Akademy, 1980
  • Archief A. Bokma. Wommels
  • Archief Stichting Zon en Vrijheid. Woudsend
  • Archief Vereniging De Hollandsche Molen. Amsterdam

 

Colofon

uitgave:

Stichting Monument van de Maand, Leeuwarden, juni 1986

tekst:

 Bokma, met bijdragen van G.P. Karstkarel, J. Coppens, C. Notenboom

redactie:

M.F. Fermo, G.P. Karstkarel, H.J. Kingmans en A. Wijnsma

eindredactie:

M.F. Fermo

historische afbeeldingen:

Fries Museum, Leeuwarden en Fries Scheepvaartmuseum, Sneek

foto’s:

W. Walta

vormgeving:

Rinze Klinker, Huine

druk:

Wielsma b.v., Leeuwarden

Het Monument van de Maand is een maandelijks terugkerende manifestatie, die mogelijk gemaakt wordt dankzij steun van de provincie Friesland en de Rabobanken in Friesland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>